De beperking van Opbrengstgericht Onderwijs

Opinie | 28 mei 2015 | Anne Jan van den Dool

Iedere keer als je een leerling doelen stelt, vernauw en beperk je zijn ontwikkeling. Je maakt vooraf duidelijk dat zijwegen niet gewenst zijn, maar ook, en dat is misschien wel het gevaarlijkste, wanneer hij klaar is. Naast alle goeds dat opbrengstgericht onderwijs brengt is het verstandig dat er ook aandacht is voor de beperking er van.

Opbrengstgericht Onderwijs

Opbrengstgericht onderwijs is momenteel de norm: leerlingen moeten aan het einde van hun onderwijsloopbaan bepaalde competenties en vaardigheden beheersen op een vooraf vastgesteld niveau. Leerkrachten en docenten moeten als professioneel procesontwerper en begeleider de leerlingen tot die opbrengsten brengen. Vooraf gepland, goed geïnformeerd en gecontroleerd.

planmatig onderwijsDeze neiging tot blauwdruk denken is er één die past bij een technologische benadering, waarbij input en output perfect op elkaar worden afgestemd. Daarbij past ook het streven naar onderwijs dat krachtig, veilig, voorspelbaar en risicovrij is. Gert Biesta (Het prachtige risico van onderwijs, 2015, p.16) betoogt dat daardoor “het onderwijs in toenemende mate wordt opgevat als de effectieve productie van vooraf gedefinieerde leeropbrengsten in een beperkt aantal vakken en met betrekking tot een beperkt aantal identiteiten, zoals die van ‘de goede burger’ of de ‘effectieve levenslang lerende’.”

Deze methoden kennen we uit ander sectoren en we weten dat die methoden daar uitstekend werken. De methoden brengen wel met zich mee dat we de leerling benaderen als een object, met een hoge mate van voorspelbaarheid en maakbaarheid. Het levende karakter van de leerling wordt in deze methode haast ontkend en toch in ieder geval teruggebracht tot een berekenbaar onderdeel van een constructivistisch geheel.

Positief is dat opbrengstgericht onderwijs er toe leidt dat kinderen aantoonbaar beter presteren op de door ons voorgenomen gebieden. Nadeel is dat we iedere andere ontwikkeling van leerlingen niet registreren, waarderen en zelfs beperken.

Visie op ontwikkeling

opbrengstgericht onderwijsOpbrengstgericht onderwijs is een methode die lijkt te getuigen van een specifieke visie op ontwikkeling of misschien wel een visie op kinderen. Een visie waarbij een jong mens wellicht wel veel potentie of talent heeft, maar toch zeker nog niet ‘af’ is. Een jong mens moet gevuld worden met informatie, getraind worden in vaardigheden om volwaardig of volwassen deel uit te kunnen maken van de maatschappij.

Leren doe je veelal voor later. Kinderen moet geleerd worden welke 21ste eeuwse vaardigheden ze straks dienen te beheersen. Ironisch genoeg leren ze dat van mensen die doorgaans uit de 20ste eeuw stammen en die voorbij lijken te gaan aan het feit dat deze kinderen allang in de 21ste eeuw leven.

In die visie zit waarschijnlijk een deel van de verwarring van leerkrachten over hun klaarblijkelijke nieuwe professionele identiteit: zij zijn in de rol van process operator terechtgekomen, waar ze dachten een reisgenoot van jonge mensen te zijn. En hoewel de effectiviteitsargumenten van de onderwijsexperts onweerlegbaar zijn, voelt menig docent dat hij zo graag een vuur zou ontsteken, in plaats van een emmer te vullen, zoals W.B. Yeats zo mooi verwoordde.

Visie op onderwijs

Betoog ik hiermee nu dat het huidige onderwijs failliet is? Dat de economische positionering van het onderwijs de moraal corrumpeert?

Nee, dat is niet de strekking van het verhaal. De strekking is wel dat er twee kanten zitten aan de medaille van opbrengstgericht onderwijs. Eén keurig opgepoetste en glimmende kant, met een uitgebreide wetenschappelijke onderbouwing van onderzoeken over verbeterd rendement van onderwijs.

Ik vraag wel aandacht voor de andere kant van die medaille. Een kant die minder vaak getoond wordt, maar die wel deel uitmaakt van opbrengstgericht werken: kinderen worden beperkt in hun ontwikkeling, zowel aan de zijkanten (niet afwijken) als aan het eind (als het klaar is, mag je stoppen).

Visie op leiderschap

En omdat die beide kanten voortdurend samen aanwezig zijn, vraagt dat om leiderschap. Leiderschap dat de spanning tussen die twee kanten zichtbaar maakt. Dat daar ook een duiding aan geeft. Leiderschap dat mensen helpt om positie in te nemen wanneer ze die spanning aan den lijve ondervinden. Leiderschap dat richting geeft aan leerkrachten die verward raken door die spanning. Leiderschap dat ouders houvast geeft, wanneer zij hun kinderen hebben te begeleiden en op te voeden tijdens hun eerste levensjaren.

Wat is eigenlijk jouw positie ten opzichte van de twee kanten van die medaille? Ontken je één van beide? Bagatelliseer je het gevolg van die spanning? Gebruik je die spanning om mensen in beweging te krijgen? En waar bewegen ze dan naar toe? En wat maakt dat dat de goede kant is?

Schoolleider, laat je kennen!

Discussieer mee