5 dingen over toenemende ongelijkheid in onderwijs

Opinie | 26 april 2016 | annejan

Op 13 april 2016 presenteerde de onderwijsinspectie De Staat van het Onderwijs in 2014/15. Naar aanleiding van dat rapport is een discussie ontstaan over de toenemende ongelijkheid in kansen in het onderwijs. Opvallend veel economen hebben daar aandacht aan besteed en ook de minister heeft vrij snel op dit punt gereageerd.

Toch is het goed om daar een aantal kanttekeningen bij te plaatsen. Hier volgen de vijf dingen die je moet weten.

1. Ongelijkheid als gevolg van de inrichting van ons onderwijs

Het is opvallend dat het rapport van de onderwijsinspectie constateert dat de ongelijkheid in kansen groter wordt, mede als gevolg van het advies dat wordt gegeven aan het einde van de basisschool. Het is met name de toevoeging bij deze zin die een eigen leven is gaan leiden in de media. ‘Het advies van de basisschool deugt in een aantal gevallen niet, dus wellicht moeten we maar weer opnieuw de CITO-toets leidend maken’, leek de teneur.
Toch beschrijft het rapport een ander fenomeen. In de praktijk blijkt namelijk dat de ingang die een leerling krijgt tot het Voortgezet Onderwijs een belangrijke factor is in het beperken van de ontwikkelmogelijkheden van een leerling.

In dit filmpje van Nieuwsuur wordt het fenomeen helder in beeld gebracht: een leerling die start in het VMBO heeft in de praktijk al moeite om de overstap naar het MBO te maken. Vanuit het MBO is de stap naar het HBO ook verder bemoeilijkt, door extra toelatingseisen en verandering van de studiefinanciering. Het aantal deelnemers aan het HBO en het WO neemt in zijn algemeenheid af, omdat de financiële drempel hoger is geworden. Dit fenomeen is dan ook voor een belangrijk deel het gevolg van een ontwerpfout in ons systeem, wat de laatste jaren door strengere regelgeving uit Den Haag is versterkt.

2. Ongelijkheid wordt ten onrechte gekoppeld aan IQ of CITO score

In de media wordt ongelijkheid uitgelegd door te stellen dat kinderen met een vergelijkbare CITO score, of een vergelijkbaar IQ, maar met ouders die een ander opleidingsniveau hebben, andere adviezen krijgen.

Door het zo te stellen voelen we ons al snel aangesproken op ons gevoel voor sociale gelijkheid in de maatschappij, maar is dat wel terecht?

De laatste jaren heeft het onderwijs zich hard gemaakt voor een systeem waarin een leerling niet wordt teruggebracht tot een cijfer. Een kind is een sociaal wezen, dat zich in zijn ontwikkeling niet alleen maar uit laat drukken in CITO scores, maar ook als een onderdeel van het systeem waar het deel van uit maakt. Zo is bijvoorbeeld bekend dat niet het IQ, maar het aantal pagina’s dat een kind vrijwillig heeft gelezen voor het tiende levensjaar, de meest betrouwbare voorspeller voor onderwijssucces is. Het aantal pagina’s dat een kind vrijwillig leest hangt weer nauw samen met het voorbeeldgedrag thuis en de prikkels die thuis worden aangebracht om dat lezen te stimuleren. Ongetwijfeld ligt daar ook een relatie met het opleidingsniveau van de ouders.

De CITO score, en ook het IQ weten we inmiddels, zijn dus veel meer het product van het sociale netwerk van het kind. En dus veel minder de voorspeller voor onderwijs succes.

De redenering dat twee kinderen met een gelijk IQ ook een gelijk advies zouden moeten krijgen gaat voorbij aan de stimulans van een op ontwikkeling gerichte thuis omgeving. Daarmee is die veronderstelling dan ook te simpel.

3. Ongelijkheid als gevolg van het basisschooladvies

In de discussie, ook op politiek niveau, lijkt de redenering dat die ongelijkheid het directe gevolg is van het basisschooladvies. Een kind is dus overgeleverd aan de willekeur van de leerkracht in groep 8.

Het zou de moeite waard zijn om een nadere analyse los te laten op de relatie tussen de veranderde procedure rond het basisschool advies en de toenemende ongelijkheid. Het is namelijk ook mogelijk dat die veranderde procedure iets zichtbaar maakt dat eerder onzichtbaar bleef. Ik vermoed dat daar wel iets voor te zeggen is.

ongelijkheidAls de sociale context van een kind een belangrijke bepalende factor is in de intellectuele ontwikkeling van het kind, dan is het de vraag of het onderwijs voldoende doet om die context te optimaliseren. Veel scholen blijven daar bewust weg. Zeker de laatste jaren stellen veel scholen zich op het standpunt dat onderwijs van de ouders is en niet van de school. Door die houding wordt de voedingsbodem voor ongelijke ontwikkelkansen in stand gehouden. Pogingen om die kansen te vergroten binnen het onderwijssysteem zullen in dat geval niet veel helpen, omdat een belangrijk probleem bewust buiten het invloedsgebied van het onderwijs wordt gehouden.

4. Ongelijkheid in relatie tot passend onderwijs

In het gesprek rond de toenemende ongelijkheid, wordt het effect van de invoering Passend Onderwijs niet of nauwelijks benoemd. In het rapport wordt alleen gemeld of de scholen de wet en regelgeving hebben verwoord in hun schoolgids. Bij de constatering dat de zorg weer op het niveau van 2013 is en ook bij het bespreken van de onderwijskansen, wordt het aspect van Passend Onderwijs niet meegewogen. Het lijkt toch minimaal een ontwikkeling die gevolgen heeft voor het niveau van de dienstverlening van een school en de samenstelling van de leerling populatie. Daarmee is het een ontwikkeling die bij de analyse van het vergroten van de ongelijkheid moet worden meegewogen.

5. Ongelijkheid is een ander woord voor maatwerk

Als laatste is het de moeite waard om eens stil te staan bij onze aversie tegen ongelijkheid. Daar waar gepersonaliseerd onderwijs, individuele leerroutes en maatwerk steeds meer gebruikelijk worden binnen het onderwijs, hanteren we een systeem waarin gelijkheid nog altijd een belangrijk element is.

Het is de vraag of dit streven naar gelijkheid nog altijd terecht is in een periode van individualisering. Ook hier wordt gemakkelijk aangehaakt bij het sentiment van ons sociale gevoel, maar wellicht is dit nou een kenmerk van individualisering waar we nog aan moeten wennen. Ook dit is de moeite van het onderzoeken waard, voordat we naar maatregelen grijpen. Ik vermoed dat een morele discussie rond individualisering en ongelijkheid zou kunnen helpen om onszelf op een goede manier te kunnen verhouden tot de geconstateerde ongelijkheid.

Kortom

ongelijkheidEr wordt veel gezegd over het vermeende oorzakelijk verband tussen basisschooladvies en de geconstateerde ongelijkheid in onderwijskansen. Er is zelfs wetgeving in de maak om het schooladvies in een aantal gevallen ondergeschikt te maken aan de CITO score. Helaas is er te weinig analyse voorhanden om te weten of de voorgestelde maatregelen ook aansluiten bij de klaarblijkelijk gewenste oplossing. Toch jammer dat de wetgevers en opiniemakers op school zo weinig hebben leren analyseren.

Discussieer mee